Er is een moment — ik weet zeker dat jij het kent — waarop je iets zegt wat je al lang had willen zeggen.
Een grens. Een nee. Een dit werkt niet voor mij.
En dan.
Dan is er die stilte. Of die blik. Of de manier waarop de ander even niks zegt en jij al voelt hoe je lichaam begint te berekenen: was dit te veel? Te direct? Had ik het anders moeten zeggen?
Dat is het moment. Niet het uitspreken — dat was al moedig. Maar dat moment. Die paar seconden erna.
Ik heb jaren gedacht dat het probleem zat in het zeggen. Dat als ik maar de juiste woorden zou vinden, de juiste toon, het juiste moment — het dan zou kloppen. En het klopte ook wel, soms. Maar daarna.
Daarna verdween ik alsnog.
Niet weg. Ik stond er nog. Maar van binnen had ik al een stap teruggezet. Ik legde uit. Ik verzachtte. Ik keek of de ander het wel begreep, of hij niet te teleurgesteld was, of ik het goed had gedaan.
Alsof de grens een voorstel was. En geen feit.
Dat is wat ik nu zie bij bijna iedereen die met grenzen worstelt: niet dat ze het niet kunnen zeggen. Maar dat ze zichzelf verlaten in het moment daarna. De spanning wordt te groot, de stilte te zwaar, de onvrede van de ander te luid — en dan gaan ze bewegen. Terug. Naar veilig.
Logisch, trouwens. Echt.
Je zenuwstelsel heeft geleerd dat spannen gevaar is. Dat als iemand teleurgesteld is, er iets kapot kan gaan. En dat jijdegene bent die dat moet voorkomen. Dat is niet zwak. Dat is oud. Dat is ooit heel slim geweest.
Maar het is niet meer van nu.
Het ding dat niemand je vertelt over grenzen stellen — en ik heb genoeg zelfhulpboeken gelezen om dit met zekerheid te zeggen — is dat blijven een vaardigheid is. Geen karaktereigenschap. Geen kwestie van wilskracht of iets minder om anderen geven.
Blijven is iets wat je leert met je lichaam.
Niet met je hoofd. Je hoofd weet het allang. Je hoofd weet dat je het recht hebt om nee te zeggen. Je hoofd weet dat jij er ook toe doet. Maar in dat moment — als de spanning oploopt en de ander zijn wenkbrauwen fronsend naar je richt — is je hoofd ineens heel ver weg.
Wat er dan regeert, is ouder.
En dat oudere deel heeft simpelweg nog niet genoeg keren meegemaakt dat spanning uithoudt. Dat het oploopt én zakkt. Dat jij erbij kunt blijven — en dat de wereld dan toch niet instort.
Dat moet je oefenen. Niet bedenken. Oefenen.
Wat er letterlijk in je lichaam gebeurt op zo’n moment — en waarom dat zo overweldigend kan voelen — beschrijf ik in Wat er in je lichaam gebeurt als je nee zegt.
Ik vraag me weleens af hoeveel energie er gaat zitten in alles wat er rondom een grens gebeurt. De voorbereiding, het afwegen, het toch maar weer inslikken, het naderhand verklaren aan jezelf waarom je het niet hebt gezegd — of waarom je het wél hebt gezegd maar het dan toch weer terughaalde.
Dat kost zoveel meer dan het moment zelf.
Het moment zelf duurt misschien tien seconden.
Maar die tien seconden — dat is waar het werk zit.
Ik weet niet precies wat jouw patroon is. Of jij degene bent die zwijgt totdat het te laat is. Of degene die zegt en dan meteen begint te verzachten. Of degene die zo lang heeft opgekropt dat het er uiteindelijk te hard uitkomt, en zichzelf daarna afvraagt: waarom doe ik dit zo?
Allemaal anders van buiten. Van binnen hetzelfde: je weet wat je wilt. En ergens verlaat je jezelf toch.
Als je benieuwd bent waarom grenzen stellen zo moeilijk is — en waarom assertiviteitstraining dat niet oplost — lees dan Waarom grenzen stellen zo moeilijk is.
Maar — en dit is het enige wat ik je wil meegeven vandaag — je bent er al.
Je leest dit. Je herkent dit. Je bent al bezig.
Dat is niet niks. Dat is eigenlijk het begin van alles.
Wil je weten welk type grenzensteller jij bent en waar jij precies vastloopt? Doe de gratis test — in 2 minuten weet je meer.
0 reacties